Zevende en laatste deel  van de artikelenreeks met de basisprincipes van het tekeningen- en modellenrecht:

Bij modellen die worden gecreëerd “in opdracht” of op bestelling, evenals bij werken die worden gecreëerd in een arbeidsverhouding geldt een bijzonder overdrachtsmechanisme. Indien een model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie werd ontworpen, wordt de werkgever, behoudens andersluidend beding, als ontwerper beschouwt. Indien een model op bestelling is ontworpen, wordt de opdrachtgever, behoudens andersluidend beding, als ontwerper beschouwd, mits de bestelling is gedaan met het oog op een gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd.

Het Benelux-Gerechtshof (arrest van 22 juni 2007, gepubliceerd op onder meer www.rw.be) heeft echter geoordeeld dat voor de toepassing van dit artikel “niet vereist is dat de tekening of het model is gedeponeerd”. In rechtsleer gaan er meer en meer stemmen op die stellen dat bijgevolg ook artikelen 3.28 en 3.29 BVIE gelden als het model niet is gedeponeerd. Deze artikelen bepalen dat in voorkomend geval ook de auteursrechten op het model toekomen aan de ontwerper. Artikel 3.29 BVIE verwijst immers expliciet naar artikel 3.8. BVIE zodat dient aangenomen te worden dat het toepassingsgebied van beide artikelen hetzelfde is. Een verdere lezing van het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 22 juni 2007 leidt noodzakelijk tot de conclusie dat dit ruimere toepassingsgebied noodzakelijkerwijs ook geldt voor artikel 3.28 BVIE. Het Hof stelt immers in haar finale rechtsoverweging: “(…) zonder (dit artikel) zou deze ander immers jegens de werkelijke ontwerper de bevoegdheid missen tot het deponeren van een nog nietgedeponeerd model (…)

Aldus stelt het Hof dat de bijzondere regels inzake de (automatische) overdracht van modelrechten en auteursrechten dienen te worden begrepen in het licht van hun doel. Dat doel omvat onder meer het depot van een niet-gedeponeerd model. Zonder titulariteit over de auteursrechten, conform artikel 3.28 BVIE, zal de opdrachtgever/werkgever eveneens de bevoegdheid missen om een depot te verrichten van een nog niet-gedeponeerd model. Aldus dient aangenomen te worden dat voor de toepassing van artikel 3.28. BVIE evenmin vereist is dat het model gedeponeerd is.

De gevolgen van deze interpretatie zijn aanzienlijk. Een gezamenlijke lezing van de drie bepalingen leidt tot de conclusie dat zo een auteursrechtelijk beschermde creatie tevens aan de vereisten van een Benelux-model voldoet, er een geheel ander regime inzake de overdracht van auteursrechten geldt.

Vooreerst geldt in de arbeidsverhouding het principe dat de werknemer deze rechten heeft overgedragen aan de werkgever, behoudens andersluidend beding. Dit staat haaks op het principe uit de Auteurswet. Hetzelfde geldt bij werken in opdracht “mits de bestelling is gedaan met het oog op een gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd”.

Het Hof te Amsterdam (Hof Amsterdam 3 februari 2009, www.iept.nl) maakte hiervan reeds een praktische toepassing: “Genoemde bepalingen (…) komen er (…) op neer dat indien een model op bestelling is ontworpen de opdrachtgever, (…) als ontwerper wordt beschouwd en dat aan deze daarmee ook het auteursrecht inzake dat model toekomt.

De draagwijdte van deze in de BVIE voorziene “overdracht” wordt noch in het BVIE noch in rechtspraak gespecificeerd. M.i. dient hiervoor teruggegrepen te worden naar de overdrachtsregeling in de auteurswet. Hierbij valt onmiddellijk op dat artikel 3.8.2. BVIE spreekt over de bestemming van de bestelling “met het oog op een gebruik”. Het betreft dus geen vervreemding, doch “slechts een gedeeltelijke overdracht”, wat een beperkte licentie impliceert.

In een later arrest (Hof Amsterdam 23 februari 2010, www.iept.nl) bevestigde het Hof van Amsterdam deze visie: “Artikel 3.28 lid 1 BVIE geeft het rechtsvermoeden dat de ontwerper van een krachtens de auteurswet beschermd werk die een ander toestemming verleent een tekening of model waarin dat werk is belichaamd, te deponeren, zijn auteursrecht deels overdraagt. Dat vermoeden is niet voor weerlegging vatbaar en geldt ook als die ontwerper zich er in het geheel niet van bewust is en zelfs als vaststaat dat hij, ware hij zich er wel van bewust geweest, de toestemming niet verleend zou hebben.

Advertenties

Deel 6 van de artikelenreeks met de basisprincipes van het tekeningen- en modellenrecht:

Een modelrecht kan in zijn geheel “overgaan” aan een derde. Zulke overdracht dient op straffe van nietigheid (1) schriftelijk te worden vastgelegd en (2) (voor een Benelux-model) betrekking hebben op de ganse Benelux. De “overgang” is slechts tegenstelbaar aan derden na inschrijving ervan in het modelregister.

Een model kan tevens in pand worden gegeven of het voorwerp vormen van een ander zakelijk recht. Een model kan ook het voorwerp uitmaken van een licentie. Een en ander is eveneens slechts tegenstelbaar aan derden na inschrijving ervan in het modelregister.

De overeenkomsten met betrekking tot modelrechten dienen te voldoen aan de Belgische en Europese mededingingsrechtelijke vereisten en in het bijzonder aan de groepsvrijstellingsverordening inzake technologieoverdracht. Voor de toepassing van die verordening geldt immers dat “tekeningen en modellen” eveneens gelden als octrooi (sic).


Deel 5 van de artikelenreeks met de basisprincipes van het tekeningen- en modellenrecht:

Geconfronteerd met een vordering op basis van een beweerde inbreuk op een modelrecht kunnen, afhankelijk van de feitelijkheden, de volgende verweermiddelen aangevoerd worden:

  • het model is nietig of niet meer geldig;
  • het modelrecht is vervallen, bijvoorbeeld doordat de vernieuwingstaks(en) niet is (zijn) betaald;
  • het gebruik van het model viel onder toepassing van een van de wettelijke uitzonderingen;
  • de inbreuk is niet bewezen;
  • inzake het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel: de beweerde inbreuk is geen namaak, doch een “onafhankelijk werk“;
  • de modelhouder doet aan rechtsmisbruik of maakt misbruik van zijn dominante marktpositie;
  • de licentie is strijdig met de groepsvrijstellingsverordening inzake technologieoverdracht. Bijgevolg is de licentie nietig en heeft de licentiehouder geen belang om in rechte te vorderen.

Net als in het octrooirecht kan de vrijwaring slechts worden gevorderd voor wat betreft de in geld waardeerbare vorderingen.



%d bloggers liken dit: