Vrije beroepen vallen onder de Wet Marktpraktijken

14Jun11

Gastblog van Mr. D. Mertens

Met ingang van 12 mei 2010 werd de Wet Handelspraktijken (WHPC) van 14 juli 1991 vervangen door de Wet Marktpraktijken (WMPC) van 6 april 2010. Een van de belangrijkste innovaties was de uitbreiding van het toepassingsgebied van “verkopers” tot “ondernemingen”, waarbij “onderneming” werd gedefinieerd als elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” (art. 2.1° WMPC). Het was kennelijk de bedoeling van de wetgever dat dit ondernemingsbegrip op dezelfde wijze zou worden ingevuld als bij het Europees en Belgisch mededingingsrecht. Het lijdt geen twijfel dat de vrije beroepsbeoefenaars in principe onder dit brede begrip ressorteren. Niettemin werden de beoefenaars van een vrij beroep uitdrukkelijk van het toepassingsgebied van de WMPC uitgesloten, alsook tandartsen en kinesisten (art. 3,§2 WMPC). Hierbij werd het begrip “beoefenaar van een vrij beroep” eerder eng gedefinieerd, namelijk als “elke onderneming die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel en die onderworpen is aan een bij wet opgericht tuchtorgaan (art. 2,2° WMPC).

De uitsluiting van de vrije beroepsbeoefenaars was in menig opzicht problematisch. De belangrijkste aanleiding voor de WMPC was de omzetting van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken (2005/29). Deze richtlijn harmoniseert de regels van toepassing op handelspraktijken jegens consumenten, en is onverkort van toepassing op vrije beroepsbeoefenaars. Het was de bedoeling voor hen een afzonderlijke omzettingswet te voorzien, zoals eerder met de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (WVB). Ingevolge de politieke crisis is dit echter (nog steeds) niet gebeurd. Op 14 maart 2011 heeft de Europese Commissie België onder meer op dit punt al formeel in gebreke gesteld. Daarnaast is er echter ook de meer principiële vraag of voor de uitsluiting van vrije beroepsbeoefenaars wel een afdoende rechtvaardiging kan worden gevonden. Ook zij zijn immers “onderneming“. Dit geldt dan a fortiori voor tandartsen en kinesisten. Zij zijn immers niet aan een bij wet opgericht tuchtorgaan onderworpen. In de parlementaire voorbereiding luidt het dan dat zij “traditioneel toch tot de vrije beroepen (worden) gerekend”. Nochtans vallen een aantal  beroepscategorieën die onder de (bredere) definitie van “vrij beroep” uit de WVB ressorteerden, thans wel onder de WMPC. Te denken valt dan aan logopedisten.

Dit verschil in behandeling blijft niet zonder praktische gevolgen. Enerzijds is er een procedureel verschil. Enkel de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is bevoegd om de staking te bevelen van schendingen van de WVB, terwijl deze bevoegdheid met betrekking tot de WMPC bij de rechtbank van koophandel ligt. Anderzijds zijn er een aantal inhoudelijke verschillen tussen de WVB en de WMPC. Deze verschillen zijn slechts deels aan de niet-omzetting van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken toe te schrijven. Zo bevat de WVB geen bepalingen met betrekking tot marktpraktijken tussen ondernemingen. Het is precies dit punt dat de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen ertoe bracht een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In casu had een kinesist een vordering tot staking ingesteld tegen een kinesist, en dit op grond van artikel 95 WMPC en onrechtmatige afwerving van cliënteel. De voorzitter was evenwel van oordeel niet bevoegd te zijn en diende bovendien vast te stellen dat de WVB geen open norm bevat vergelijkbaar met artikel 95 WMPC (“Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden).

In antwoord op deze prejudiciële vraag antwoordde het Grondwettelijk Hof in een arrest van 6 april 2010 (55/2011) dat: “De artikelen 2, 1° en 2°, en 3, § 2, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij als gevolg hebben dat de beoefenaars van een vrij beroep, alsook de tandartsen en de kinesisten, van het toepassingsgebied van die wet zijn uitgesloten.”

Deze uitspraak maakt een wetgevend optreden noodzakelijk. Een mogelijke oplossing is de opheffing van de uitsluiting van de vrije beroepsbeoefenaars vervat in artikel 3, §2 WMPC. Hiermee zou België alvast op dit punt tegemoet komen aan de omzettingsverplichting. Het laat zich echter aanzien dat een aantal vrije beroepsbeoefenaars zich hier andermaal tegen zullen verzetten. Zo stuurt de Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen (FVIB) al uitdrukkelijk aan op een grondige herziening van de WVB. Strikt genomen laten zowel de richtlijn oneerlijke handelspraktijken als het arrest van het Grondwettelijk Hof dit ook toe. Het mag echter duidelijk zijn dat er nog weinig ruimte blijft voor een inhoudelijk afwijkende invulling. De richtlijn oneerlijke handelspraktijken is immers een voorbeeld van volledige harmonisatie. De wetgever mag voor de vrije beroepsbeoefenaars geen regeling voorzien die strenger, milder of zelfs maar anders is dan de artikelen 83 t.e.m. 94 WMPC (“oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten”). Wat oneerlijke marktpraktijken jegens andere personen dan consumenten betreft, verplicht het arrest van het Grondwettelijk Hof tot overname van een met artikel 95 WMPC vergelijkbare open norm. Ook wat overeenkomsten met consumenten betreft (Hoofdstuk 3 WMPC) is er al sprake van een verregaande harmonisatie. Het lijkt ook niet vanzelfsprekend dat een op gelijk welk punt afwijkende bescherming van de cliënten (of concurrenten) van vrije beroepsbeoefenaars de toets van het gelijkheidsbeginsel zou kunnen doorstaan. Enkel wat de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betreft, laat het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk een onderscheid toe.

Advertenties


%d bloggers liken dit: